In painting, space, time, and meaning are inseparable.
Time becomes palpable when elements from different moments — from history and from the present — converge within a single image.
Space reveals itself not only through compositional possibilities, but also through the principle of reuse. By keeping the work open to recycling, it can continually re‑arrange itself within its own unfolding history.
In this way, the painting asserts one or several meanings at once.
In this convergence of possibilities, painting encounters its sense of wonder.
Bij het schilderen zijn ruimte, tijd en betekenis onafscheidelijk.
De tijd wordt voelbaar wanneer elementen uit verschillende momenten — uit de geschiedenis en uit het heden — samenkomen in één beeld.
De ruimte toont zich niet alleen in de compositorische mogelijkheden, maar ook in het principe van hergebruik. Door het werk open te houden voor recycling, kan het zich steeds opnieuw rangschikken binnen zijn eigen geschiedenis.
Zo dringt het schilderij één of meerdere betekenissen tegelijk op.
In dat samenvallen van mogelijkheden vindt het schilderen zijn verwondering.